Vroeger was de maatvoering vrij overzichtelijk. Een racefiets in maat 56 of 58 verwees direct naar de daadwerkelijke lengte van de zitbuis in centimeters. Door de introductie van aflopende bovenbuizen (de zogenaamde sloping frames) werkt deze klassieke meetmethode niet meer. Een maat L of maat 56 bij het ene merk heeft tegenwoordig een compleet andere pasvorm dan een frame met hetzelfde label bij een concurrent. Je kunt fietsen dus onmogelijk nog objectief met elkaar vergelijken op basis van dat ene getal of die letter.
Om de pasvorm van verschillende fietsen wel goed te kunnen vergelijken, werken alle fietsmerken tegenwoordig met twee vaste referentiepunten: stack en reach. Deze twee maten vertrekken altijd vanuit het absolute middelpunt van de trapas. Dit is namelijk de enige plek op het frame die altijd een vaste verhouding heeft ten opzichte van de pedalen waar je kracht op zet.
De stack is de verticale afstand in millimeters, gemeten vanaf de trapas recht omhoog tot de denkbeeldige horizontale lijn die over de bovenkant van de balhoofdbuis loopt. Een hoge stack betekent dat de voorkant van het frame simpelweg hoger is, waardoor je stuur automatisch ook hoger komt te staan. Fietsers die een extreem diepe zit willen vermijden of snel last krijgen van hun onderrug, hebben veel baat bij een frame met een hogere stack voor een meer ontspannen houding.
De reach is de horizontale afstand vanaf de trapas recht naar voren, precies tot het midden van diezelfde balhoofdbuis. Deze waarde geeft aan hoe ver je vooruit moet reiken om het stuur vast te pakken. Een frame met een grote reach zorgt voor een uitgestrekte en lage houding op de fiets. Dit aerodynamische ontwerp past uitstekend bij wedstrijdrenners die zo min mogelijk windweerstand willen vangen.
Een snelle en effectieve methode om het stuurkarakter van een frame in te schatten, is het berekenen van de stack to reach ratio. Deel de stack-waarde door de reach-waarde en de uitkomst vertelt je direct voor welk type fietser het frame bedoeld is.
Naast de zithouding is het stuurkarakter een groot onderdeel van de rijervaring. De ene fietser zoekt een strakke wedstrijdfiets die bij de minste polsbeweging een bocht in duikt. De andere rijder heeft liever een voorspelbare fiets die strak rechtdoor blijft lopen tijdens een lange afdaling. Dit stuurgedrag wordt in de ontwerpfase grotendeels bepaald door drie samenwerkende factoren aan de voorkant van het frame: de balhoofdhoek, de vorksprong en de daaruit volgende naloop.
De balhoofdhoek (in tabellen vaak head tube angle genoemd) is de hoek die de balhoofdbuis maakt ten opzichte van een denkbeeldige horizontale lijn over de grond. Bij hedendaagse racefietsen ligt deze hoek meestal ergens tussen de 70 en 74 graden.
Een relatief steile hoek, richting de 74 graden, zet het voorwiel wat dichter onder het stuur. Dit zorgt voor een vinnig en zeer direct stuurgedrag. Het is de norm voor criteriumfietsen waarmee je soepel door scherpe bochten wilt sturen. Een flauwere hoek, dichter bij de 70 graden, plaatst het voorwiel juist wat verder naar voren. Hierdoor wordt het stuurgedrag een stuk rustiger. Deze keuze geeft de fietser meer vertrouwen en controle, zeker op slechte wegen of bij vermoeidheid aan het einde van een lange rit.
Als je een racefiets vanaf de zijkant bekijkt, zie je dat de voorvork bijna nooit in een rechte lijn naar beneden loopt. De vorkpoten hebben een lichte buiging of de uitvaleinden (het punt waar het wiel vastzit) staan een stukje naar voren. Deze verschuiving van de vooras ten opzichte van de stuuras heet de vorksprong, ook wel rake of offset genoemd.
Door de maat van deze vorksprong aan te passen, kan een merk het stuurgedrag heel precies afstellen zonder dat de hoek van het frame (de balhoofdhoek) verandert. Een grotere vorksprong maakt de besturing in de praktijk vaak iets lichter en levendiger, omdat het de totale naloop van de fiets kleiner maakt.
De best verborgen, maar tegelijkertijd meest invloedrijke term in de geometrietabel is de naloop (trail). Dit is geen onderdeel dat je fysiek op de fiets kunt aanwijzen, maar een afstand die je berekent op basis van de wielmaat, de balhoofdhoek en de vorksprong. Je trekt in gedachten een lijn vanuit de balhoofdbuis in dezelfde hoek recht naar beneden tot de grond. Vervolgens meet je de afstand tussen dat theorethische punt op de grond en de plek waar de rubberen voorband de straat raakt. Dat is de naloop.
De naloop vertelt je in grote lijnen hoe zwaar een fiets stuurt en in hoeverre het voorwiel uit zichzelf rechtdoor wil blijven rijden:
De voorkant van de fiets regelt het stuurgedrag, maar de achterkant is verantwoordelijk voor de tractie, de daadwerkelijke krachtoverbrenging en een flink deel van het rijcomfort. Ontwerpers zoeken hier constant naar de juiste balans tussen een fiets die direct versnelt en een fiets die soepel over slecht asfalt rolt. Drie meetwaarden spelen een hoofdrol bij deze afweging: de lengte van de liggende achtervork, de bracketverlaging en de totale wielbasis.
De liggende achtervork is de buis tussen de trapas en het midden van het achterwiel. De lengte van deze buis (de chainstay) heeft direct invloed op hoe de fiets reageert wanneer je op de pedalen gaat staan voor een demarrage of een korte klim.
De trapas van een racefiets hangt altijd een stukje onder de denkbeeldige horizontale lijn die je tussen de beide wielassen kunt trekken. Deze verticale afstand noemen we de bracketverlaging, of bottom bracket drop. Bij moderne racefietsen ligt deze waarde meestal tussen de 65 en 75 millimeter.
Een grotere bracketverlaging, bijvoorbeeld 75 millimeter, brengt de trapas dichter naar de grond. Je zwaartepunt daalt mee, wat zorgt voor een erg stabiel en vertrouwd gevoel tijdens snelle afdalingen. De fiets lijkt als het ware aan het asfalt te kleven. Een risico van een hele lage trapas is wel dat je pedalen de grond kunnen raken wanneer je hard doortrapt in een scherpe bocht. Fietsen die gebouwd zijn voor snelle criteriums, waarbij je vaak moet meetrappen in de bocht, hebben daarom vaak een kleinere bracketverlaging voor wat extra grondspeling.
De wielbasis is de absolute lengte van de fiets, gemeten van de as van het voorwiel tot de as van het achterwiel. Het is in de praktijk het resultaat van alle keuzes die aan de voor- en achterkant van de fiets zijn gemaakt.
Als algemene richtlijn kun je aanhouden: hoe korter de wielbasis, hoe wendbaarder de fiets. Bij een doorsnee framemaat ligt dit vaak rond de 980 millimeter. De fiets reageert vlot en laat zich makkelijk van links naar rechts gooien in een sprint. Een langere wielbasis, van 1000 millimeter of meer, maakt de fiets juist heel koersvast. Dit is erg prettig als je lange tochten maakt, over kasseien fietst of te maken krijgt met vlagerige zijwind in een open polderlandschap.
Nu je weet hoe de buizen en hoeken het rijgedrag bepalen, kun je deze kennis gericht inzetten bij de aanschaf van een nieuwe fiets. De geometrie is namelijk de belangrijkste keuze die je maakt. We verdelen de racefietsen grofweg in twee groepen en koppelen daar direct een aantal bekende modellen en budgetten aan. Zo weet je precies in welke hoek je moet zoeken.
Heb je wel eens last van je onderrug, rijd je graag toertochten van honderd kilometer of meer, of fiets je veel over klinkers en slecht asfalt? Dan past een endurance racefiets goed bij je. Deze frames herken je aan een hogere stack (waardoor je stuur hoger staat), een kortere reach (voor een rechtere rug) en een langere wielbasis gecombineerd met een vlakkere balhoofdhoek voor een rustig stuurgedrag.
Binnen deze vergevingsgezinde categorie vallen een aantal bekende modellen op:
Lees meer over de specifieke verschillen tussen deze modellen in onze endurance racefiets koopgids.
Ben je erg lenig, gaat het je puur om snelheid en wil je een fiets die direct vooruit schiet als je aanzet? Kijk dan naar een model met een agressieve geometrie. Deze frames hebben een zeer lage stack, een lange reach (zodat je plat op je stuur ligt), een steile balhoofdhoek en een korte achterkant voor snelle acceleraties.
Voor wedstrijdrenners en ambitieuze amateurs springen de volgende fietsen eruit:
Voordat je de knoop doorhakt, is er nog een handige tip om miskopen te voorkomen. Stel, je zit op dit moment prima op je huidige fiets en je wilt online een nieuw frame bestellen. Hoe weet je dan of die nieuwe fiets net zo goed past?
Websites zoals Geometry Geeks verzamelen de geometrietabellen van vrijwel alle bekende fietsmerken. Je vult daar simpelweg je huidige fiets en framemaat in, en zet deze naast het nieuwe model dat je op het oog hebt. Kijk vervolgens vooral naar de stack en de reach. Ligt de stack van de nieuwe fiets aanzienlijk lager dan die van je huidige fiets, dan weet je direct dat je een stuk dieper komt te zitten. Zelfs als het maatlabel (bijvoorbeeld een '56' of 'M') hetzelfde is.
Een dure groepset of strakke wielen maken je fiets zeker sneller, maar de geometrie bepaalt of je dat tempo volhoudt zonder pijnklachten. Door goed te kijken naar de verhouding tussen stack en reach en rekening te houden met je eigen lenigheid, vind je een frame dat echt bij je lichaam past. Wil je na de keuze voor het frame verder met de afmontage? Lees dan alle vervolgstappen rustig door in onze algemene racefiets koopgids.
Terug naar Wielrennen